Mijn handen trilden toen ik het gereedschap steviger vastpakte. Het geluid dat ik had gehoord – dat snelle, onregelmatige ademhalen – galmde nog in mijn oren. Ik bleef een paar seconden roerloos zitten, luisterend.
Niets.
Alleen de wind die langs de houten planken streek.
“Het is je verbeelding,” fluisterde ik tegen mezelf.
Toch voelde het niet zo.
Ik draaide voorzichtig aan het nieuwe hangslot. Het klikte niet open. Natuurlijk niet. Iemand had dit hier bewust geplaatst. Iemand die wist dat ik het uiteindelijk zou vinden.
Ik stond op en liep terug naar het huis. Als dit een spel was, dan speelde ik het niet onvoorbereid.
Binnen pakte ik mijn telefoon en bekeek het onbekende nummer opnieuw. Geen naam. Geen eerdere berichten. Alleen die ene zin:
Kijk niet naar de kist. Kijk achter je.
Mijn hart sloeg weer sneller toen ik aan de begraafplaats dacht. Aan de zwarte paraplu. Aan die bekende houding.
Daniel.
Maar dat kon niet.
Daniel was vijf jaar geleden overleden bij een ongeluk tijdens een zakenreis. Ik had de identificatiepapieren zelf gezien. Ik had zijn ouders getroost. Ik had mijn zoon verteld dat zijn oom nooit meer terug zou komen.
Of had ik alleen geloofd wat mij was verteld?
Mijn blik gleed opnieuw naar de agenda op tafel. “Onderhoud schuur.” Elke maand, op exact dezelfde datum. Altijd Daniels handschrift.
Ik had hem er ooit naar gevraagd.
“Gewoon routine,” had mijn man gezegd. “Daniel helpt me met wat oude spullen.”
Oude spullen.
Ik voelde hoe een koude rilling over mijn rug liep.