Mijn telefoon bleef trillen op het tafeltje naast het balkon. De zon zakte langzaam achter de zee, terwijl in de verte de klokken van een kleine kerk luidden. Het onbekende Amerikaanse nummer bleef oplichten op het scherm.
Ik nam niet op.
Niet omdat ik bang was. Maar omdat ik voor het eerst in lange tijd controle had over mijn eigen stilte.
Toen het rinkelen stopte, kwam er vrijwel direct een bericht binnen.
Richard Lawson.
Mijn hart sloeg één keer hard tegen mijn borst.
Ik had zijn naam maanden niet meer gezien. Niet uitgesproken. Niet gedacht dat hij nog een rol kon spelen in mijn leven.
Ik opende het bericht niet meteen.
In plaats daarvan legde ik mijn hand instinctief op mijn buik.
Twaalf weken.
Een leven dat niets wist van contracten, van geld, van machtsspelletjes.
Alleen van een hartslag.
Die avond vertelde ik Daniel alles.
We zaten op het terras van onze gehuurde villa aan de Italiaanse kust. De lucht rook naar zout en citroenbomen. Hij luisterde zonder me te onderbreken, zijn handen gevouwen op tafel.
“Dus,” zei hij uiteindelijk rustig, “je bent zwanger. En biologisch gezien is de kans groot dat het kind van je ex-man is.”
Ik knikte.
Geen drama. Geen woede.
Alleen feiten.
“Waarom belde hij?” vroeg Daniel.
“Ik weet het niet. Ik heb niet opgenomen.”
Daniel keek me aan met die rustige, bijna klinische helderheid die hem zo typeerde. Als traumachirurg had hij geleerd eerst te stabiliseren, dan te analyseren.
“Wat wil jij?” vroeg hij.
Dat was de vraag waar alles om draaide.
Wat wilde ik?
Niet wat de Lawsons wilden. Niet wat de buitenwereld logisch zou vinden. Niet wat financieel verstandig was.
Wat wilde ík?