Mijn hart bonsde zo hard dat ik bang was dat de mannen het zouden horen, zelfs hier in de struiken. Ik kon mijn ogen nauwelijks geloven. Daar stond mijn man, rustig in de keuken, alsof hij de twee mannen had verwacht.
Hij had een van hen zelfs de hand geschud.
Mijn vingers begonnen te trillen. Ik drukte Louis dichter tegen me aan terwijl Emma zacht tegen mijn schouder ademde. In het zwakke licht van het keukenraam zag ik hoe de mannen rondkeken. Eén van hen haalde een klein notitieboekje uit zijn jas.
Mijn man wees opnieuw naar de gang.
Naar de slaapkamers.
Naar de kamers waar onze kinderen normaal sliepen.
Ik voelde een golf van paniek.
Waarom zou hij dat doen?
Waarom zou hij vreemden het huis laten doorzoeken?
Even dacht ik dat mijn man ons misschien had verraden. Dat hij ons expres uit het huis had gehaald zodat die mannen hun gang konden gaan.
Maar toen gebeurde er iets vreemds.
De man met het notitieboekje knikte, maar liep niet naar de slaapkamers. In plaats daarvan begon hij iets op te schrijven. De andere man keek rond in de woonkamer, alsof hij controleerde of alles klopte.
Mijn man stond daar met zijn armen over elkaar, rustig wachtend.
Er zat geen angst in zijn houding. Geen nervositeit.
Alleen concentratie.
Ik kneep mijn ogen samen, probeerde hun gezichten beter te zien. Toen zag ik iets dat ik eerst had gemist: een klein symbool op de jas van de man met de handschoenen. Geen uniform, maar wel een soort badge.
Plotseling boog mijn man zich iets naar voren en zei iets dat ik niet kon horen.
De man met het notitieboekje knikte opnieuw.