Daniel bleef bij de trap stilstaan, zijn hand op de leuning, terwijl ik achter hem stond, mijn adem kort en snel. Het zachte gekraak boven voelde als een waarschuwing, alsof elk geluid een boodschap van dreiging was. Mijn hart bonkte in mijn borst, en ik voelde een koude rilling langs mijn rug.
“Wie is daar?” fluisterde Daniel, zijn stem trillerig, maar vastberaden.
Geen antwoord. Alleen het zachte, bijna ritmische geluid van voetstappen, langzaam bewegend van kamer naar kamer.
Ik keek naar de wieg. Het dekentje lag nog steeds warm, alsof iemand het pas had weggehaald. Ik voelde een mix van angst en ongeloof. Wie… of wat… had onze baby meegenomen, en waarom was ze hier, terwijl wij nog in het ziekenhuis lagen?
Daniel greep een houten deurstop die op de vloer lag en sloop de trap op, een voet voor de andere, zijn ogen strak gericht op de gang boven. Ik volgde, mijn adem inhouden, elke stap voelde als een eeuwigheid.