Víctor bleef een paar seconden staan bij het smeedijzeren hek voordat hij zijn hand uitstak naar de intercom. Zijn vingers aarzelden. Hij was een man die in oorlogszones had geopereerd, die beslissingen had genomen onder extreme druk, maar dit… dit voelde anders. Dit was persoonlijk.
Hij drukte op de knop.
Een zachte klik klonk, gevolgd door een vrouwenstem, kalm en afstandelijk:
“Met wie spreek ik?”
“Met Víctor Serrano,” antwoordde hij, zijn stem vast, maar lager dan normaal. “Ik ben de vader van Ana.”
Er viel een korte stilte. Te lang voor een simpel antwoord.
“Mevrouw is niet beschikbaar,” zei de stem uiteindelijk.
Víctor sloot even zijn ogen.
“Ik ga niet weg,” zei hij rustig. “Niet vandaag.”
Weer stilte. Toen, onverwacht, klonk er een tweede klik. Het hek ging langzaam open.
Hij liep naar binnen zonder nog iets te zeggen.
Het pad naar het huis was perfect onderhouden. Geen enkel blad lag verkeerd. Alles was… gecontroleerd. Zelfs de natuur leek hier geen eigen wil te hebben.
Toen hij de voordeur bereikte, ging die open voordat hij kon aanbellen.
Een lange man stond in de deuropening. Elegant gekleed, rechte houding, een glimlach die net niet zijn ogen bereikte.
“Dokter Serrano,” zei hij vriendelijk. “Wat een verrassing.”
Víctor herkende hem meteen.
Adrián.
Twintig jaar ouder, maar dezelfde blik. Dezelfde scherpe ogen die hij ooit boven een operatietafel had gezien, vol angst en hoop tegelijk.
“Ik had je niet verwacht,” vervolgde Adrián, terwijl hij opzij stapte. “Maar kom binnen.”
Víctor ging naar binnen, zijn blik scannend, zoals hij dat vroeger in gevaarlijke situaties deed. Alles was luxe. Marmeren vloeren, hoge plafonds, kunst aan de muren. Maar er hing iets… iets dat niet klopte. Geen warmte. Geen leven.
“Waar is mijn dochter?” vroeg hij direct.
Adrián glimlachte licht.
“Ana rust. Ze heeft het de laatste tijd moeilijk gehad.”
“Ik wil haar zien.”
Adrián hield zijn blik een seconde te lang vast, alsof hij een beslissing nam. Toen knikte hij.
“Natuurlijk.”