Shiomara kon haar handen nauwelijks still houden. De drie mensen stonden nog steeds voor haar kiosk, hun ogen vast op de gerechten gericht. De vrouw in het grijs nam een diepe ademhaling en knikte lichtjes. “We hebben je gezocht, Shiomara,” zei ze eindelijk, haar stem zacht maar krachtig. “Je hebt ons niet herkend, maar we hebben nooit de hoop opgegeven dat we je zouden vinden.”
Shiomara voelde een rilling over haar rug lopen. Haar hart bonsde in haar borst, maar dit keer niet van angst. Het was een mengeling van ongeloof, verwarring en een soort vreugde die ze sinds haar jeugd niet had gevoeld. “Wie… wie bent u?” stamelde ze.
De man in het midden glimlachte. “Wij… wij zijn degene die je hebt geholpen toen je het moeilijkst had. Het klinkt misschien vreemd, maar jaren geleden hebben we je gezien – hoe je drie kleine kinderen te eten gaf die nergens anders terecht konden. Dat moment, jouw hart en je moed, lieten een onuitwisbare indruk achter.”