Agent Sarah Blake stapte voorzichtig over de gebroken kranten en het vuil dat de veranda bedekte. Haar hand rustte op de greep van haar dienstwapen, niet omdat ze verwachtte te schieten, maar om zichzelf gerust te stellen. Ze ademde diep in. De storm hief zich boven haar hoofd, het geluid van regen tegen het dak van haar auto mengde zich met de ruis van haar eigen hartslag.
De voordeur stond op een kier. Sarah duwde hem langzaam open. Binnen was het donker, slechts het licht van de bliksem gaf korte glimpjes van de ruimte. Meubels bedekt met stof, gebroken speelgoed verspreid over de vloer, en een vreemde, muffe geur die de lucht vulde.
“Lily?” fluisterde Sarah, haar stem zacht maar vastberaden.
Een piepende kreun antwoordde haar van boven. Zonder aarzelen zette ze de trap op, elke trede kraakte onder haar gewicht. Op de bovenverdieping vond ze een kleine deur half open, waaruit een zwak licht scheen. Daar zat Lily, ineengedoken op de grond, haar knuffel stevig tegen zich aan gedrukt. Haar ogen waren groot en rood van het huilen.
“Lily, het is agent Blake. Alles komt goed. Ik ben hier om je te helpen,” zei Sarah terwijl ze zich op haar knieën bij het kind boog.
“Het doet pijn… papa zegt dat het liefde is, maar het doet pijn,” fluisterde Lily, trillend.