Op de derde dag begon ik voorzichtig te ontspannen. Het zonlicht viel zacht door de ramen van Liza’s huis in Laguna, de geur van verse bloemen vulde de keuken, en voor het eerst in weken voelde ik geen angst. Mijn gedachten dwaalden af naar het huis in Quezon City en de boerderij in Batangas, de plekken waar ik zoveel herinneringen had opgebouwd. Ik had ze meegenomen in mijn hart, maar de papieren en het geld waren veilig bij mij.
Liza hield me nauwlettend in de gaten, alsof ze elke trilling van mijn lichaam voelde. “Mam, je hoeft je nergens zorgen over te maken. Hier ben je veilig,” zei ze terwijl ze mijn hand vasthield. Haar woorden gaven me kracht, maar ik wist dat mijn schoondochters niet zomaar zouden stoppen.
Die avond, terwijl Arturo televisie keek en Liza de afwas deed, hoorde ik het zachte gezoem van mijn mobiele telefoon. Een onbekend nummer. Mijn hart sloeg een slag over. Zou het een van mijn schoondochters zijn die probeerde contact te maken? Ik aarzelde, maar besloot op te nemen.
“Amelia?” zei een stem aan de andere kant. Het was Mario, mijn oudste zoon. Zijn stem klonk gespannen, bijna wanhopig. “Mam, we maken ons zorgen. Waarom ben je weg?”
“Mario… ik… ik kon niet blijven,” stamelde ik. “Ik kon niet meer in het huis zijn.”