Daniel knielde neer en sloeg zijn armen om Emily en Joshua heen, terwijl Max dicht tegen hem aan drukte, zijn warme vacht een bron van troost. De herfstwind blies door het halfverwaarloosde hek, maar voor het eerst in jaren voelde Daniel zich niet helemaal alleen. Hij wist dat hij moest handelen – niet met woede, maar met zorg en vastberadenheid.
“Kom, laten we naar binnen gaan,” zei hij zacht. “Het is koud buiten, en we hebben wat tijd nodig om alles te bespreken.”
Binnen rook het huis muf en naar oude kleren, maar Daniel merkte dat het kleine huisje, ondanks alles, nog steeds een thuis was. Hij zag dat Emily haar schoolboeken netjes had opgestapeld en dat er een stapel speelgoed op de vloer lag, zorgvuldig gerangschikt rond Max, alsof de hond de centrale figuur van hun kleine wereld was.
“Papa,” zei Emily, terwijl ze hem een opgelucht maar bezorgd gezicht liet zien, “Max heeft ons beschermd. Elke keer als ik bang was of Joshua huilde, stond hij klaar. Hij laat niemand binnen.”