Rocco zette voorzichtig een voet in het schemerige huis. De geur van vocht en verlatenheid hing zwaar in de lucht. Hij keek om zich heen en zag dat de muren waren gestript van alles wat waarde had – kasten leeg, bedden verdwenen, zelfs de gootsteen van de keuken was leeggehaald. Emma stond stil bij de ingang, haar kleine handen om de roestige fiets geklemd, haar ogen groot van angst en wanhoop.
“Waar is je moeder, meisje?” vroeg Rocco zacht, terwijl hij zijn blik door de lege kamers liet glijden.
Emma haalde een trillend adem. “Ze is op de grond in de achterkamer… ze kan bijna niet bewegen. Ze probeerde water te halen, maar ze viel bijna om.”
Rocco voelde een scherpe pijn in zijn borst. Dit was geen spel meer, geen misdrijf van voorbijgangers. Dit was overleving. En hij wist dat hij snel moest handelen. Hij trok zijn telefoon, maar het bereik was slecht. Geen netwerk. Hij kon de politie niet bellen, noch zijn mensen inlichten. Het was op hem aangewezen.
“Kom, ik help haar,” zei hij, en hij liep met Emma door het donkere huis naar de achterkamer. Daar lag haar moeder, bleek en zwak, haar ademhaling oppervlakkig. Het was duidelijk dat ze dagenlang nauwelijks gegeten had.