Die ochtend nam ik een diepe ademhaling en pakte mijn bril. De zon viel zachtjes door het smalle raam van kamer 213 en verlichtte het vergeelde behang. Voor het eerst voelde ik geen angst, alleen berekening. Mijn zoon dacht dat hij het spel had gewonnen. Maar ik had een troef in handen die hij nooit had kunnen voorspellen.
Ik belde de advocaat die ik jaren geleden had leren kennen, een vrouw genaamd Lianne Hartman. Ze was scherp, direct en had me ooit geholpen met een klein geschil over een erfenis van mijn ouders. Ze nam de telefoon op met de zelfverzekerdheid van iemand die al vele gevechten had gewonnen.
“Mevrouw Leland?” zei ze, haar stem kalm maar krachtig.
“Ja, Lianne. Het is dringend. Ze hebben me hier opgesloten, en ik heb iets dat ze nooit zullen verwachten.”
Er viel een korte stilte aan de andere kant van de lijn.
“Vertel me alles. We regelen een afspraak vandaag nog.”
Ik hing op en voelde iets wat ik jaren niet had gevoeld: controle. De verpleegsters kwamen langs met de ontbijtplaatjes, maar ik glimlachte vriendelijk en zei dat ik mijn ontbijt liever op mijn kamer had. Niemand had door dat ik bezig was een strategie te vormen.