De deurklink bewoog langzaam naar beneden.
Mijn hart sloeg niet sneller. Integendeel, alles in mij werd stil. Alsof mijn lichaam eindelijk begreep dat paniek me nergens meer zou brengen. Ik keek nog één keer in de spiegel, streek mijn haar naar achteren en opende de deur voordat hij dat kon doen.
Kevin stond daar, zijn blik hard en ongeduldig. “Wat duurde zo lang?”
“Ik voelde me niet goed,” zei ik rustig. Mijn stem verraste me. Geen trilling. Geen angst. Alleen controle.
Hij keek me een moment onderzoekend aan, alsof hij probeerde te bepalen of ik de waarheid sprak. Toen haalde hij zijn schouders op. “Zorg dat het eten opgeruimd is.”
“Ik doe het straks,” antwoordde ik.
Hij mompelde iets en liep terug naar de woonkamer. De televisie ging aan, luid. Zoals altijd. Geluid om stilte te vermijden. Of misschien om zijn eigen gedachten te overstemmen.
Ik sloot de badkamerdeur opnieuw, maar deze keer op slot. Mijn handen bewogen snel. Niet gehaast, maar doelgericht. Ik pakte een kleine tas uit de kast en begon deze te vullen: een paar kledingstukken, mijn oplader, het notitieboekje, mijn identiteitskaart.
Mijn telefoon trilde opnieuw.