Salomé fluisterde iets dat Ramira’s hart deed stilstaan. Haar kleine lippen bewogen haastig, haar ogen groot en serieus. “Mama… de bewijzen… ze liegen. Ik weet het. Ik heb het gezien.”
Ramira voelde haar hart in haar keel kloppen. “Wat bedoel je, Salomé? Wat heb je gezien?” vroeg ze, haar stem trillend van hoop en angst tegelijk.
Het meisje wreef even over haar armen, alsof ze zichzelf moest geruststellen. “Die nacht… ik was in de kamer van opa. Ik zag een man… hij verstopte het wapen en de kleren. Het was niet jij, mama. Jij was thuis, je sliep. Ik hoorde alles.”
De bewakers staarden elkaar aan, verward. Zo’n moment hadden ze nog nooit meegemaakt. Een kind dat, met niets anders dan haar eigen herinnering, het lot van een volwassen vrouw zou kunnen veranderen.
De maatschappelijk werker stapte naar voren. “Meisje, ben je zeker van wat je zegt?”
Salomé knikte stellig. “Ja. Ik heb het gezien. Ze hebben het opgeschreven in een notitieboekje. Het is daar, bij mijn leraar… het bewijs is er.”
Ramira voelde tranen over haar wangen lopen. Vijf jaar gevangen, vijf jaar pijn, vijf jaar gemis… en nu, een kleine stem die misschien alles kon goedmaken. Ze wilde haar dochter vasthouden en nooit meer loslaten.