Calebs glimlach bleef een fractie te lang op zijn gezicht hangen, alsof hij probeerde te beslissen of hij mij moest uitlachen of intimideren. Uiteindelijk koos hij voor iets dat ergens tussen de twee in lag.
“Eleanor,” zei hij opnieuw, nu zachter, bijna vriendelijk. “Je bent moe. Het is midden in de nacht. Ga slapen. Morgen ziet alles er anders uit.”
Ik keek hem niet aan. Mijn aandacht bleef bij Mia. Ze stond nog steeds bij de wieg, haar schouders opgetrokken alsof ze zich kleiner wilde maken dan ze was. Haar handen trilden.
Dat was niet de dochter die ik had opgevoed.
Dat was een vrouw die zichzelf kwijt was.
“Ik ga niet slapen,” zei ik rustig. “Niet terwijl ik dit heb gezien.”
Caleb zuchtte overdreven, alsof hij een lastig kind moest uitleggen dat het niet zo erg was gevallen.
“Je overdrijft. Ik heb haar alleen verteld dat ze verantwoordelijkheid moet nemen. Ze is de hele dag moe, ze vergeet dingen, ze—”
“Ze heeft een baby van drie weken,” onderbrak ik hem.
Mijn stem was niet hard. Dat maakte het juist gevaarlijker.
Er viel een stilte in de kamer die zelfs Noah leek te voelen. Zijn gehuil was gestopt; hij ademde zachtjes tegen mijn schouder, alsof mijn aanwezigheid hem eindelijk veiligheid gaf.
Caleb richtte zich iets rechter op.