Ik hing op en bleef enkele seconden roerloos in de gang staan.
Mijn hart bonsde zo hard dat ik het in mijn oren hoorde.
Daarna pakte ik mijn tas, liep rechtstreeks naar mijn manager en zei:
“Er is een noodgeval thuis. Ik moet weg.”
Tien minuten later zat ik in mijn auto.
Elke rode verkeerslicht leek eindeloos te duren.
Steeds opnieuw dacht ik aan Mia.
Aan haar kleine stem.
Aan de vraag die geen enkel kind ooit zou moeten stellen:
“Moet ik mijn spullen inpakken?”
Toen ik onze straat inreed, zag ik meteen drie auto’s op de oprit.
De auto van mijn schoonouders.
Die van Brooke.
En een bestelwagen.
Mijn handen klemden zich steviger om het stuur.
Een bestelwagen.
Alsof dit allemaal al geregeld was.
Alsof niemand zelfs maar had overwogen om het ons te vragen.