Toen mijn dochter eindelijk in mijn armen lag, leek de hele kamer stil te vallen.
Niet omdat er geen geluid was.
Integendeel.
Verpleegkundigen liepen af en aan. Apparatuur piepte. Iemand vroeg naar formulieren. Mijn zus Francesca huilde zachtjes naast het bed.
Maar voor mij bestond er op dat moment alleen het kleine meisje dat tegen mijn borst lag.
—Hallo, Sofia,—fluisterde ik.
De naam voelde perfect.
Niet “kleine Andrea”.
Niet de naam die Renata maandenlang had proberen op te dringen.
Gewoon Sofia.
Mijn dochter.
Mijn telefoon bleef trillen op het nachtkastje.
Andrea.
Nog een keer Andrea.
Daarna Renata.
Toen weer Andrea.
Ik keek er niet naar.
Voor het eerst sinds maanden voelde ik geen verplichting om onmiddellijk te reageren.
Een verpleegkundige glimlachte.
—Wilt u dat wij uw telefoon even wegleggen?
—Graag.
Ze stopte hem in de lade van het kastje.
Ik sloot mijn ogen.
En sliep bijna twee uur.
Toen ik wakker werd, zat Marta, mijn advocaat, naast het bed.
—Goed nieuws,—zei ze.
—Vertel.
—De bank heeft de rekening voorlopig bevroren totdat het onderzoek naar de vervalste handtekening is afgerond.
Ik voelde een golf van opluchting.
—En Andrea?
—Hij heeft inmiddels ontdekt dat hij geen toegang meer heeft tot de gezamenlijke kaarten.
—Dat zal hem niet bevallen.
Marta glimlachte nauwelijks.
—Dat kunnen we bevestigen.