Steve?
Mijn stem trilde toen ik hem daar zag staan, midden in de slaapkamer, in het zachte licht van de bedlampjes. Hij had zijn jasje uitgedaan, maar droeg nog steeds zijn overhemd. In zijn handen hield hij een doos vast — een oude, houten doos die ik nog niet eerder had gezien.
Zijn gezicht was bleek.
“Het spijt me,” zei hij opnieuw, zachter dit keer. “Ik had het je eerder moeten vertellen.”
Mijn hart bonsde in mijn borstkas. Duizend gedachten schoten door mijn hoofd. Had hij spijt? Was er iemand anders? Had ik iets gemist? De vreugde van de dag leek plotseling te vervagen, alsof iemand het licht had gedimd.
“Wat is er?” vroeg ik voorzichtig.
Hij wees naar de rand van het bed. “Ga alsjeblieft zitten.”
Ik gehoorzaamde, mijn handen in mijn schoot gevouwen. Hij kwam tegenover me zitten en zette de doos tussen ons in.
“Ik wilde niet dat dit tussen ons zou staan,” begon hij. “Maar ik was bang dat als ik het eerder zou vertellen, je misschien anders zou beslissen.”
Die woorden deden pijn.
“Steve, zeg het gewoon.”
Hij haalde diep adem en opende de doos. Binnenin lagen foto’s. Brieven. Een klein zilveren armbandje. En bovenop alles lag een vergeelde foto van een jonge vrouw met warme ogen en een zachte glimlach.
“Dit is Laura,” zei hij.
Ik voelde hoe mijn maag samenkneep.
“Ze was mijn vrouw.”
Was.
Verleden tijd.
Ik wist dat hij ooit getrouwd was geweest. Mijn vader had het vaag genoemd, jaren geleden. Maar we hadden er nooit echt over gesproken. Ik had niet willen graven in oude wonden.
“Ze is tien jaar geleden overleden,” vervolgde hij. “Aan kanker.”
Zijn stem brak bij het laatste woord.
Mijn angst veranderde langzaam in iets anders. Verdriet. Begrip. Maar ook verwarring.
“Waarom vertel je me dit nu?” vroeg ik zacht.
Hij keek me recht aan. “Omdat ik haar nog steeds mis. Niet op een manier die mijn liefde voor jou vermindert. Maar ze was een deel van mijn leven. En soms… soms voel ik me schuldig dat ik opnieuw gelukkig ben.”