Ik schudde mijn hoofd. “Nee.”
Er viel een stilte die zwaarder was dan alle eerdere stiltes in dit gebouw. Niet de ongemakkelijke soort. De beslissende.
Landry probeerde te lachen, maar het klonk droog. “Je hebt geen idee waar je het over hebt.”
“Ik heb e-mails,” zei ik kalm. “Ik heb tijdstempels. Ik heb getuigen die eindelijk bereid zijn te praten. En ik heb een verslag van Barcelona dat nooit officieel is ingediend.”
Zijn blik flitste naar de deur. Naar de gang. Naar de glazen wand van de pauzeruimte.
Hij dacht na. Niet over schuld. Over schadebeperking.
“Dit is laster,” zei hij uiteindelijk, maar zijn stem miste overtuiging.
“Dan zullen we dat formeel laten vaststellen,” antwoordde ik. “Bij HR. Met Compliance. En als het moet extern.”
Ik zag het moment waarop hij begreep dat dit geen fluistercampagne was. Geen gerucht. Geen emotionele uitbarsting die hij kon wegwuiven als ‘overgevoeligheid’.
Dit was gedocumenteerd.
Twee uur later zat ik in een vergaderruimte met glazen wanden. Tegenover mij: Marianne van HR, een jurist van het hoofdkantoor en – verrassend snel – de directeur zelf.
Landry was er ook.
Zijn houding was strak, professioneel. Zijn handen gevouwen op tafel alsof hij een presentatie ging geven.
“Cibil heeft ernstige beschuldigingen geuit,” begon Marianne voorzichtig. “We nemen dit zeer serieus.”
Ik knikte. Mijn handen lagen rustig in mijn schoot. Ik had acht maanden gewacht op dit moment. Acht maanden waarin vrouwen fluisterden bij het koffieapparaat. Acht maanden waarin ik zag hoe stagiaires plotseling van afdeling wisselden. Acht maanden waarin iemand altijd zei: ‘Hij is onaantastbaar.’
“Dit gaat niet alleen om mij,” zei ik. “Of om Piper. Dit is een patroon.”
Ik schoof een map over tafel.