De dokter hield het dossier iets hoger, alsof hij er zeker van wilde zijn dat niemand zou doen alsof hij hem verkeerd had begrepen.
“Volgens onze gegevens,” vervolgde hij rustig, “is de nier die bij mevrouw is verwijderd niet getransplanteerd bij mevrouw Dorothy.”
Er viel een stilte die zwaarder was dan alles wat eerder in de kamer had gehangen.
Mijn adem stokte.
“Wat bedoelt u?” vroeg Paul scherp. Zijn zelfverzekerde houding brokkelde zichtbaar af.
De dokter sloeg een pagina om. “Tijdens de pre-operatieve laatste compatibiliteitstest, uitgevoerd gisteravond, bleek dat er toch een onverwachte immunologische reactie was. De transplantatie kon niet veilig worden uitgevoerd.”
Dorothy’s vingers klemden zich om de armleuningen van haar rolstoel. “Dat is onmogelijk,” zei ze ijzig. “We hadden een perfecte match.”
“Bijna perfect,” corrigeerde de dokter. “Maar ‘bijna’ is in transplantatiegeneeskunde niet voldoende. We hebben de procedure bij u niet voortgezet.”
Ik voelde hoe mijn hart sneller begon te kloppen. “Dus… mijn nier…?”
De dokter keek me nu aan, en voor het eerst zag ik iets zachts in zijn blik. “Uw nier is met uw uitdrukkelijke toestemming opgenomen in het nationale transplantatieprogramma. Ze is vanochtend succesvol getransplanteerd bij een andere patiënt in kritieke toestand. Een jonge moeder van twee kinderen. De operatie is goed verlopen.”
De woorden zweefden in de lucht.
Niet bij Dorothy.
Niet bij mijn schoonmoeder.
Paul staarde hem aan. “Dat kan niet. Dit was een gerichte donatie.”