Madeline ademde diep in, haar hart bonkte zo hard dat ze bang was dat Thomas het zou horen. Ze voelde de kwetsbaarheid van het moment, de rauwe realiteit die niet paste in haar zorgvuldig gebouwde, glazen wereld. Het was alsof een laag van haar ziel was weggetrokken en blootgelegd voor de chaos van dit bescheiden appartement.
“Laat mij helpen,” zei ze zacht. Haar stem klonk vreemd voor haar eigen oren. Niet bevelend, niet corrigerend, gewoon… menselijk.
Thomas keek op, zijn ogen vol ongeloof. “U… u bent zeker niet hier gekomen om ons te helpen, mevrouw Corwin. U hebt uw hele leven opgebouwd zonder ooit één dag te hoeven worstelen zoals dit.”
Madeline liet haar blik over de kamer glijden. De muren waren smoezelig, de vloer krakend, de apparaten oud. Maar er was warmte. Liefde. Ze zag de improvisatie, de creativiteit van iemand die niet alles kon kopen, maar alles deed wat mogelijk was om zijn kinderen te beschermen.
“Ik weet dat,” antwoordde ze. “Maar ik weet ook dat ik iets kan doen.”
De baby huilde opnieuw. Madeline voelde een instinctieve drang om dichterbij te komen. Voorzichtig tilde ze het kleine meisje op. Haar handen, gewend aan marmer en glas, voelden onhandig op zacht vlees en tere huid. De baby stopte met huilen toen Madeline zachtjes haar rug streelde. Thomas staarde haar aan, sprakeloos.
“Ik heb… we hebben het allemaal zo moeilijk gehad,” fluisterde hij. “U hoeft hier niet te zijn.”
Madeline schudde haar hoofd. “Nee. Dit is precies waar ik moet zijn. Ik kan jullie niet alles teruggeven wat verloren is, maar ik kan helpen om dit huis, deze kinderen, veilig te houden.”
Thomas slenterde naar de keuken, zijn handen diep in zijn zakken. “U… u weet niet wat dit betekent. Vier kinderen, medische rekeningen, huur, voedsel… ik heb het nauwelijks kunnen bijhouden.”