Mijn hart bonsde in mijn keel. Emily drukte zich nog dichter tegen me aan, fluisterde: “Mama… hij gaat ons vinden.” Ik voelde hoe haar kleine handjes mijn arm knijpten, haar angst besmettelijk en echt. Het was geen spel. Dit was gevaar.
De deur van het kastje kraakte iets toen de klink verder draaide. Ik probeerde te bewegen, maar mijn knieën trilden te erg. Ik hoorde het geluid van een zware ademhaling. Hij was vlakbij. Te dichtbij. Mijn vingers gleden langs de fles afwasmiddel, zoeken naar iets om mezelf te verdedigen.
“Waar zijn ze?” De stem was laag en dreigend.
Emily kreunde zachtjes, haar hoofd tegen mijn schouder. Mijn moederinstinct schreeuwde dat we hieruit moesten, dat we moesten vluchten voordat hij ons vond. Maar het kastje bood het enige moment van schuilen. Ik wist dat een verkeerde beweging alles kon verpesten.
Ik probeerde mijn ademhaling te controleren, elk geluid te minimaliseren. De voetstappen stilstonden plotseling, net buiten het kastje. Een stilte die te lang leek, gevuld met spanning. Toen een ander geluid – een klik van een sleutel, gevolgd door een zacht gekraak van het parket.
Het was hem duidelijk dat hij niet alleen was gekomen om te verkennen. Hij had een plan, iets voorbereid. Mijn gedachten draaiden in paniek. Wie was hij? Wat wilde hij?
Emily fluisterde: “Mama… hij heeft een masker. Zie je het?”