“Ja,” zei hij geruststellend. “Het gaat goed met haar.”
Hij gaf me het envelopje.
“Ze vroeg ons dit aan u te overhandigen.”
Mijn handen trilden een beetje toen ik het openmaakte. Binnenin zat een briefje, geschreven met nette, ronde letters.
Ik begon hardop te lezen.
“Lieve vrouw,
Gisteren gaf je me iets wat ik al lang niet meer had gevoeld: vriendelijkheid zonder verwachting. Je kende me niet. Je wist niet wie ik was. Toch gaf je me eten en zelfs je adres.
Dat gebeurt niet vaak in deze wereld.
Daarom wil ik je bedanken.”
Ik keek op, verward.
“Wat betekent dit?”
Meneer De Graaf glimlachte opnieuw, deze keer een beetje geheimzinnig.
“De vrouw die u heeft geholpen heet mevrouw Elisabeth Vermeer.”
Die naam zei me niets.
Hij vervolgde:
“Mevrouw Vermeer is de oprichtster van een stichting die mensen helpt die het moeilijk hebben. Ze reist soms incognito rond om te zien hoe mensen elkaar behandelen wanneer niemand kijkt.”
Ik staarde hem aan.
“Dus… ze was niet echt dakloos?”
“Niet helemaal,” zei hij voorzichtig. “Ze testte iets. Of beter gezegd: ze herinnerde zichzelf eraan dat er nog goede mensen bestaan.”
Mijn jongste dochter trok aan mijn mouw.
“Mama, krijg je problemen?”
Ik lachte zenuwachtig.
“Nee schat.”
Meneer De Graaf schudde zijn hoofd.
“Integendeel.”
Hij pakte een tweede envelop uit zijn tas en legde die op tafel.
“Dit is een kleine dankbetuiging van mevrouw Vermeer.”
Ik opende hem langzaam.
Binnenin zat een cheque.
Mijn adem stokte.
Het bedrag was groter dan ik in mijn hele leven tegelijk had gezien.
“Dit… dit moet een fout zijn,” zei ik haastig.
Maar hij schudde rustig zijn hoofd.
“Het is geen fout.”
“Maar ik kan dit niet aannemen,” stamelde ik. “Ik heb alleen maar een pizza gekocht.”
Hij keek me recht aan.
“Precies daarom.”
De kinderen keken nieuwsgierig tussen ons in.
Sam fluisterde: “Mama… hoeveel is dat?”
Ik slikte.
“Genoeg om… heel veel pannenkoeken te kopen,” zei ik zacht.
De mannen glimlachten.
Meneer De Graaf ging verder.
“Mevrouw Vermeer heeft ook nog iets anders gevraagd.”
Ik keek op.
“Wat dan?”
“Ze vroeg of u vandaag tijd heeft om haar te ontmoeten.”
Ik was even stil.
Mijn eerste instinct was om nee te zeggen. Ik had werk, rekeningen, een druk leven.
Maar iets in mij zei dat ik dit moment niet zomaar voorbij moest laten gaan.
“Waar?” vroeg ik.
Hij noemde een klein park aan de rand van de stad.
“Ze wacht daar op u rond het middaguur.”
Ik keek naar de kinderen.
“Oké,” zei ik uiteindelijk.
Een paar uur later liep ik door het park. De zon scheen zacht door de bomen en voor het eerst in lange tijd voelde ik me vreemd licht.
Op een bankje bij de vijver zat de oude vrouw van gisteren.
Maar nu zag ze er anders uit.
Ze droeg een nette, lichte jas en haar haar was verzorgd. Toch herkende ik meteen haar ogen.
Ze glimlachte toen ze me zag.
“Daar ben je.”
Ik ging naast haar zitten.
“U… heeft me laten schrikken,” zei ik eerlijk.
Ze lachte zacht.
“Dat begrijp ik.”
Even keken we samen naar de eenden op het water.