“Ik heb gebeld,” gaf ik toe. “Het spijt me. Ik dacht… ik dacht dat deze vrouw mijn dochter was. Mijn dochter is overleden, maar zij lijkt zó veel op haar dat ik in paniek raakte.”
De agent keek naar Emma en vervolgens weer naar mij. Zijn blik was begripvol, niet verwijtend. “Mevrouw, wilt u misschien even rustig uitleggen wat er precies aan de hand is?”
Ik haalde diep adem en vertelde het hele verhaal. Over mijn kleinkinderen. Over het strand. Over hoe ze hadden geroepen dat hun mama en papa daar zaten. Over mijn schok.
Emma luisterde aandachtig. De man naast haar – waarschijnlijk haar partner – kneep zacht in haar hand.
Toen ik klaar was, viel er een korte stilte.
“Het spijt ons dat we u zo hebben laten schrikken,” zei Emma uiteindelijk. “Maar ik ben echt niet uw dochter. Misschien kan ik mijn identiteitsbewijs laten zien?”
Ze haalde haar portemonnee en liet haar legitimatie zien aan de agenten. Alles klopte. Naam, geboortedatum, adres.
De agent knikte. “Het lijkt een geval van sterke gelijkenis. Dat kan soms zeer confronterend zijn.”
Ik voelde me ineens ontzettend moe. “Het spijt me,” zei ik opnieuw, dit keer tegen Emma en haar partner. “Ik wilde geen problemen veroorzaken.”
De man glimlachte voorzichtig. “Dat begrijpen we. Het moet moeilijk voor u zijn geweest.”
De agenten vroegen of alles verder in orde was. Er was geen sprake van een misdrijf, geen dreiging, alleen een misverstand. Nadat ze zich ervan hadden verzekerd dat iedereen kalm was, vertrokken ze weer.
Ik bleef nog even staan, onzeker wat te doen.
“Wilt u misschien even binnenkomen?” vroeg Emma onverwachts. “U ziet er bleek uit.”
Ik aarzelde, maar knikte toen. Misschien had ik dit nodig. Afsluiting. Of in ieder geval duidelijkheid.
Binnen was het huisje klein maar warm ingericht. Foto’s aan de muur. Planten op de vensterbank. Een zachte bank bij het raam.
Mijn ogen bleven hangen op een foto van Emma als kind. De gelijkenis was al vroeg zichtbaar. Hetzelfde kuiltje in de wang. Dezelfde glimlach.
“U lijkt echt ongelooflijk veel op haar,” zei ik zacht.
Emma knikte. “Dat hoor ik vaker. Er schijnt ergens een dubbelganger van iedereen rond te lopen.”
Ik glimlachte zwak. “Blijkbaar.”
Haar partner zette een glas water voor me neer. “Hoe oud zijn uw kleinkinderen?” vroeg hij voorzichtig.