De tranen stroomden over mijn wangen.
Marijke kneep zacht in mijn hand. “Ze was zo trots op je.”
Ik kon even niets zeggen.
Die avond liep ik door het huis. Elke kamer voelde anders. Niet langer als een plek vol verlies, maar als een fundament.
Ik dacht aan de nacht in het ziekenhuis. Aan de koude gang. Aan het gevoel dat alles was verdwenen.
Maar nu begreep ik iets belangrijks: mijn ouders hadden vooruitgedacht. Ze hadden me niet alleen een huis nagelaten, maar een vangnet.
De volgende dagen veranderde de sfeer merkbaar. Dina was stiller. Minder dominant. Ze bleef voorlopig in het huis, maar onze rollen waren verschoven.
Ik begon informatie op te vragen bij universiteiten. Ik solliciteerde voor een bijbaan in een boekwinkel, niet uit noodzaak, maar omdat ik onafhankelijk wilde zijn.
Op een middag kwam Dina onverwacht de keuken binnen terwijl ik formulieren invulde.
“Rachel,” begon ze ongemakkelijk, “ik… wist niet van die clausule.”
Ik keek op. “Maar je wist wel dat ik nergens heen kon.”
Ze zuchtte. “Ik dacht dat het beter was als je leerde op eigen benen te staan.”
“Op straat?” vroeg ik kalm.
Ze keek weg.
Er viel een lange stilte.
“Ik heb fouten gemaakt,” zei ze uiteindelijk. “Misschien… was ik jaloers. Je ouders deden alles voor je.”
Ik dacht aan de afgelopen maanden. Aan haar koude woorden.
“Misschien,” zei ik voorzichtig, “kunnen we opnieuw beginnen. Maar dan met eerlijkheid.”
Ze knikte langzaam.
Het was geen verzoening, maar een begin.
En voor het eerst sinds die verschrikkelijke nacht voelde ik dat mijn leven niet was ingestort — het had een onverwachte wending genomen.
Ik stond bij het raam en keek naar de straat waar die ochtend de limousine had gestaan.
Wat begon als mijn donkerste moment, bleek het begin van iets nieuws.
Ik was negentien. Ik had verdriet. Maar ik had ook een toekomst.
En die toekomst was van mij.