De volgende ochtend had de schok plaatsgemaakt voor vastberadenheid.
Ik stond vroeg op in de hotelsuite terwijl Aël nog sliep op de sofa, half aangekleed, alsof hij elk moment weer moest vertrekken. De tweeling lag uitgestrekt in de grote hotelbedden, voor het eerst in weken zonder jas aan, zonder hun schoenen naast zich alsof ze paraat moesten staan.
Ik keek naar hen en voelde iets wat sterker was dan woede: verantwoordelijkheid.
Niet alleen als vader. Maar als beschermer van mijn familie.
Aël werd wakker van het zachte klikken van mijn laptop.
“Papa… je hoeft dit niet te doen,” zei hij schor. “Ze zijn machtig. Haar vader kent mensen in de rechtbank. Ze hebben verklaringen. Een psycholoog die beweert dat ik ‘emotioneel instabiel’ ben.”
Ik draaide me langzaam naar hem om.
“Instabiel?” herhaalde ik rustig. “Je hebt twee kinderen warm gehouden in een auto in maart. Je hebt ze gevoed, gewassen op openbare toiletten, naar school gebracht alsof alles normaal was. Dat is geen instabiliteit. Dat is vaderschap onder extreme druk.”
Hij keek naar zijn handen. “Ze hebben me documenten laten tekenen. Ik was uitgeput. We hadden ruzie. Ze zei dat het tijdelijk was. Dat het alleen om fiscale redenen ging.”
“Heb je juridisch advies gehad voor je tekende?”
Hij schudde zijn hoofd.
Dat was het eerste scheurtje in hun pantser.