De wereld leek te draaien terwijl ik op mijn knieën zakte, mijn handen tegen mijn buik gedrukt. Het bloed voelde warm en zwaar, een tastbare herinnering aan alles wat ik kwijt was. Mijn ademhaling was onregelmatig, maar iets in mij weigerde volledig op te geven. Ik wist dat ik moest handelen—niet uit angst, maar uit instinct.
“Bel mijn vader,” herhaalde ik, deze keer met een stem die steviger klonk dan ik dacht dat ik kon.
Cole en Evelyn wisselden een blik. Zijn glimlach was nog steeds aanwezig, maar er was iets veranderd. Misschien een klein spoor van onzekerheid. Misschien een gevoel dat zijn absolute controle eindelijk begon te wankelen.
“Je denkt dat je iets kunt doen?” zei Cole zachtjes, bijna spottend.
Ik keek hem recht in de ogen. Mijn handen trilden nog steeds, maar er was een koude berekening in mijn blik. “Ik denk dat jij iets gaat verliezen waar je nooit op rekende.”
Evelyn keek me aan, haar lippen op elkaar geperst. Haar ogen begonnen te flitsen, alsof ze eindelijk begreep dat ik niet langer de gehoorzame vrouw was die zij dacht dat ik was.
Ik stond op, langzaam maar zeker, en bewoog naar de deur. Cole stapte opzij, maar niet uit medeleven—uit nieuwsgierigheid, uit arrogantie. Hij wilde zien wat ik ging doen.
Toen pakte ik mijn rugtas van de bank, waar ik altijd een paar essentials in had: een opgeladen telefoon (die zij niet hadden gezien), mijn autosleutels en mijn ID. Alles wat ik nodig had om te verdwijnen, om hulp te halen.
“Ga je weg?” vroeg Evelyn, haar stem trillend.