Op dat moment klonk er een onverwacht geluid in de stille kamer.
Het was geen alarm. Geen paniektoon van een machine. Het was een zachte, haast onmerkbare verandering in het ritme van de hartmonitor. De piepjes, die wekenlang traag en vlak hadden geklonken, werden iets regelmatiger. Iets krachtiger.
De moeder verstijfde.
De vader hield zijn adem in.
De arts, die achter hen stond, keek automatisch naar het scherm.
“Wacht…” fluisterde hij.
Rico bleef onbeweeglijk staan, zijn warme neus tegen het voorhoofd van de jongen gedrukt. Zijn staart bewoog niet. Zijn oren waren licht naar voren gericht, alsof hij luisterde naar iets wat niemand anders kon horen.
En toen gebeurde het.
De vingers van de jongen bewogen.
Heel licht. Bijna onzichtbaar. Maar de moeder voelde het onmiddellijk. Ze kneep zacht in zijn hand.
“Hij bewoog… hij bewoog!” zei ze, haar stem trillend tussen hoop en ongeloof.
De arts stapte snel dichterbij. “Nog eens,” zei hij zacht, meer tegen zichzelf dan tegen de anderen.
Rico gaf een zachte, lage zucht. Geen blaf. Geen gejank. Alleen een diepe ademhaling, alsof hij wist dat dit moment belangrijk was.
De jongen fronste.
Voor het eerst in drie weken trok er een kleine rimpel over zijn voorhoofd. Zijn borstkas, die afhankelijk was van de machine, leek plots iets meer zelf te doen. De monitor bevestigde het: er was meer activiteit.
“Dit is geen toeval,” mompelde de verpleegkundige die Rico had binnengelaten. Haar ogen vulden zich met tranen.