Thuis doorzocht ik haar kamer. Haar telefoon lag op het bureau. Gesloten. Geen berichten, geen nieuwe apps. Haar social media leek stil — alsof ze compleet verdwenen was.
Toen herinnerde ik me iets vreemds: de laatste keer dat ik haar had gezien, had ze me een briefje onder haar kussen gelegd. Ze had altijd briefjes achtergelaten toen ze iets belangrijks wilde zeggen, klein en subtiel.
Ik haalde het eruit. Het was een dun, half opgevouwen papiertje. Haar handschrift was haastig.
“Als je dit leest, maak je geen zorgen. Ik moet iets uitzoeken. Ik kom snel terug. Vertrouw me. – J”
Mijn adem stokte. Iets uitzoeken? Dat klonk als avontuur, maar niet als drie weken wegblijven zonder een woord.
Ik belde Tessa opnieuw en stuurde haar een foto van het briefje. Ze keek verbaasd. “Ze heeft me niets gezegd. Ze heeft ook niets tegen Alyssa gezegd.”
De politie stelde een plan op. Bewakingscamera’s bij school, buurtonderzoeken, contacten van vrienden. Iedereen werd gebeld.
De uren werden dagen. Elke oproep bracht hoop, dan weer een diepe val van angst. Mijn dochter was nergens te vinden.
Op de vierde dag na de ontdekking belde iemand anoniem naar het politiebureau. “Ze is veilig. Ze wil terugkomen, maar ze kan niet thuis.”
Het was vaag, maar genoeg om een spoor te volgen. De politie nam contact op en leidde ons naar een klein buurthuis aan de rand van de stad. Daar zat Jordan, ongedeerd, maar zichtbaar gespannen.
Toen ik haar zag, rende ze in mijn armen. Ze huilde en fluisterde: “Ik moest het uitzoeken, mam. Maar alles is oké nu.”
Het bleek dat ze een persoonlijk project was begonnen voor school: een onderzoek naar een sociaal probleem in onze buurt, waarbij ze informatie verzamelde bij verschillende gezinnen en organisaties. Ze had ons niet willen verontrusten en had geen contact opgenomen omdat ze dacht dat het beter was om zelfstandig te werken.