“Oh mijn God… wat is dit?”
Haar stem klonk niet langer scherp of spottend. Er zat iets anders in. Iets wat ik in jaren niet had gehoord.
Onzekerheid.
Ze stond in de deuropening van onze woonkamer en keek rond alsof ze een andere wereld was binnengestapt dan ze had verwacht. Haar ogen gleden over de lichte houten vloer die ik samen met Anna had gelegd. Over de kleine eettafel met drie stoelen – waarvan er één beschilderd was met blauwe verfspatten omdat Sam daar ooit een “kunstexperiment” had gedaan. Over de plank aan de muur met foto’s.
Foto’s van verjaardagen. Van picknicks in het park. Van Sam met zijn voortanden eruit, breed lachend tussen Anna en mij in.
Ze had waarschijnlijk chaos verwacht. Wanorde. Spijt.
In plaats daarvan zag ze warmte.
“Dit… dit is jullie huis?” vroeg ze, bijna fluisterend.
“Ja,” zei ik rustig. “Welkom.”
Anna kwam uit de keuken, haar handen nog nat van het afwassen. Ze droeg een simpele trui en had haar haar in een losse knot. Geen make-up. Geen indrukmakerij. Gewoon zichzelf.
“Goedemiddag,” zei ze beleefd.
Mijn moeder keek haar aan. Niet langer met openlijke minachting, maar met een blik die ik moeilijk kon plaatsen. Alsof haar zorgvuldig opgebouwde oordeel niet helemaal aansloot bij wat ze zag.
Op dat moment kwam Sam de trap af gerend.
“Papa! Kijk wat ik heb gebouwd!”