De envelop lag op de keukentafel, zwaar en met een onmiskenbare autoriteit. Mijn man had hem voorzichtig neergelegd en zijn ogen hadden een glans die ik niet meteen kon plaatsen. Verwachting? Angst? Spijt? Ik kon het niet zeggen.
“Dus… het is binnen,” zei hij eindelijk. Zijn stem trilde een beetje, en mijn hart sloeg over.
Ik knikte en ging tegenover hem zitten. Onze zoon speelde in de woonkamer, onbewust van de spanning die zich als een dichte mist door ons huis had gewenteld. Zijn zachte gelach, zijn kleine handjes die over het tapijt gleden, maakte het contrast des te harder. Hier waren we, op de rand van een ontdekking die ons leven voorgoed zou veranderen.
Ik haalde diep adem en nam de envelop. “Wil jij dat ik eerst openmaak, of jij?”
Hij schudde zijn hoofd. “Jij… jij mag.”
Met trillende handen scheurde ik de rand open en haalde het papier eruit. Het logo van het laboratorium glinsterde onder het TL-licht. Mijn ogen schoten naar de cijfers, de letters… de conclusie.
En toen stopte alles.
Alles.
Ik voelde hoe de wereld om me heen draaide, maar de woorden voor mijn ogen stonden stil. Mijn man greep mijn hand, zijn grip te stevig, bijna wanhopig. “Wat staat er?” vroeg hij zacht.
Ik slikte en fluisterde: “Het… het klopt. Hij is jouw zoon.”
Mijn man ontspande zich zichtbaar, maar zijn opluchting was van korte duur. “Dat bedoel je… dat het… hij…”
Ik knikte. “Hij is het. Jij bent zijn vader. Alles klopt.”
We keken elkaar aan, en voor een moment leek alles goed. Maar toen voelde ik het. Een koude stilte die onze kamer vulde. De stilte van iets wat nog steeds niet uitgesproken was.
“Maar…” begon hij langzaam, alsof hij elk woord moest wegen. “Waarom… waarom voelde ik dan die… twijfel? Waarom leek alles… zo vreemd?”