Hij slikte. “Het… het is Peter’s dagboek. Ik vond het kort voor zijn ongeluk. Hij vroeg me het te bewaren, voor jou. Hij zei dat er dingen zijn die je moet weten, maar dat je er klaar voor moest zijn.”
Ik voelde een mengeling van opluchting en angst. “Waarom heb je het me niet eerder gegeven?”
“Omdat ik bang was dat het je pijn zou doen,” zei hij eerlijk. “Maar nu… nu moet je het lezen.”
Ik opende de tweede brief. Er stond een verhaal van geheimen en oude wonden, van keuzes die Peter had gemaakt en de manieren waarop hij met zijn angsten worstelde. Het was hartverscheurend, maar ook menselijk. En ergens voelde ik een vreemde verbondenheid – alsof ik Peter nog een laatste keer leerde kennen.
Terwijl ik verder las, merkte ik dat er ook aanwijzingen waren over Daniel. Peter had hem vertrouwd met dingen die niemand anders wist, inclusief bepaalde documenten en persoonlijke brieven. “Hij heeft me beschermd,” fluisterde ik. Mijn stem brak bij het uitspreken van de woorden.
Daniel ging naast me zitten, zijn hand op mijn schouder. “Hij wilde dat je gelukkig zou zijn, met wie je uiteindelijk koos. Hij… hij wist dat ik er altijd voor je zou zijn, net als nu.”
De volgende uren bracht ik door met het lezen van de brieven. Er waren momenten van verdriet, momenten van nostalgie, en ook momenten waarop ik moest lachen om Peters droge humor. Ik realiseerde me dat ik hem miste, maar dat ik ook nu de mogelijkheid had om opnieuw lief te hebben – met Daniel.
Toen ik de laatste brief had gelezen, keek ik op. Daniel’s ogen waren rood van het vasthouden van emoties. “Ik weet dat dit veel is… en ik begrijp als je nu tijd nodig hebt,” zei hij zacht.
Maar in plaats van afstand te nemen, nam ik zijn hand. “Nee,” zei ik vastberaden. “We moeten dit samen doen. Als Peter iets wilde, dan was het dat ik gelukkig zou zijn… en dat ben ik, hier, met jou.”
Hij zuchtte en een traan gleed over zijn wang. “Ik heb zoveel angst gehad dat ik je pijn zou doen… dat ik niet goed genoeg zou zijn na hem.”
“Daniel,” zei ik, mijn stem zacht maar sterk, “je hebt me door mijn donkerste dagen heen geholpen. Je hebt me nooit laten vallen. Dat is wat telt. Niet wie er eerst was, maar wie hier is, nu.”
Hij glimlachte flauw, maar er was een diep gevoel van opluchting. We omhelsden elkaar, en in dat moment voelde alles juist. De angst, het schuldgevoel, de onzekerheid – alles leek te smelten in de warmte van onze verbinding.