Kelly tilde Ruby voorzichtig op en leidde haar naar de patrouillewagen. Buiten ruiste de storm sterker en hagel tikte tegen het dak. Ruby klemde haar knuffelhond nog steeds stevig vast, haar kleine handen trilden lichtjes. Kelly voelde een mengeling van woede en vastberadenheid; dit meisje had te lang in angst geleefd.
“Rustig maar, Ruby. We gaan je ergens brengen waar je veilig bent,” zei ze zacht.
Ruby’s ogen vulden zich met tranen, maar ze zei niets. Ze leek te begrijpen dat Kelly haar daadwerkelijk hielp. In de wagen klonk alleen het zachte gezoem van de motor en het tikken van de regen tegen de ramen. Kelly hield haar hand op Ruby’s rug, een stille geruststelling.
Terug bij de meldkamer liep Aaron Whitfield nerveus heen en weer. Hij had alle details doorgegeven aan de sociale diensten, en de ambulance was onderweg. Elke seconde leek eindeloos. Zijn hart klopte sneller toen hij dacht aan de toestand van Ruby. Dit was geen gewone noodsituatie; dit was het soort oproep dat je nooit meer uit je hoofd kreeg.
De ambulance arriveerde tien minuten later. Twee paramedici, een man en een vrouw, haastten zich naar de wagen. Ze namen Ruby voorzichtig over, controleerden haar vitale functies en stelden gerust dat ze goed zouden zorgen voor haar. Kelly bleef bij haar tot ze veilig in de ambulance lag. Ruby klemde haar knuffelhond tegen zich aan, alsof hij de enige constante in haar leven was.
“Ze heeft lange tijd niets adequaats gegeten,” zei de paramedicus. “We moeten haar hydrateren en haar maag rust geven.”
Kelly knikte. “Ik blijf hier tot ze stabiel is. Niemand anders laat ik bij haar zonder toezicht.”