De vader van Aria, Julian Vandermeer, stond als versteend in de deuropening. Zijn hand nog op de klink, terwijl Lena al over de oprijlaan liep, haar silhouet verdween in het gouden licht van de ondergaande zon. Hij voelde een knoop in zijn maag. Hij had haar ontslagen, overtuigd dat dit de juiste beslissing was, dat professionele afstand het beste was. Maar de woorden van zijn dochter echoerden nog in zijn hoofd, zacht maar scherp:
“Papa… Lena is mijn mama.”
Het was geen gewone uitspraak van een kind. Het was een bekentenis, een waarheid die de hele constructie van zijn leven op zijn kop zette. Lena, die hij altijd had gezien als een vertrouwde medewerker, een nanny die haar werk deed en verder geen emotionele bindingen liet zien, was meer geweest dan hij ooit had gezien. Ze had zijn dochter liefgehad als haar eigen kind, en Aria had dat gevoel herkend, gekoesterd, en het uitgesproken in één eenvoudige, alles-veranderende zin.
Julian zakte terug in de deuropening, zijn hoofd op de leuning van de deur. Zijn hart bonsde. Hoe had hij dit kunnen missen? Hoe had hij kunnen denken dat alles zo eenvoudig was, dat werk en gezin gescheiden konden worden, terwijl Lena in stilte een fundament van liefde en veiligheid had gelegd dat hij nooit had kunnen bieden?
Aria keek op van haar poppenhuis, haar kleine handjes nog steeds bezig met de poppen. Haar ogen waren groot, vol ernst. “Papa… je hebt haar laten gaan. Maar ik… ik wil dat ze blijft. Voor altijd.”
Julian voelde een traan over zijn wang rollen. Hij had altijd gedacht dat hij de beslissingen nam, dat hij de controle had over alles in zijn wereld. Maar hier, in de stem van zijn achtjarige dochter, besefte hij dat hij volledig machteloos was geweest. Machteloos tegenover de liefde van een ander voor zijn kind, machteloos tegenover de stilte van Lena, machteloos tegenover de waarheid die hij nooit had willen zien.