Ik voelde hoe de tranen in mijn ogen brandden, maar ik hield mijn houding kalm, al was mijn hart een storm van verdriet en verwarring. “Rachel… Jason… wat bedoelen jullie? Dit is jullie kind, toch?” vroeg ik zacht, terwijl ik de baby dichter tegen me aan trok.
Rachel schudde haar hoofd, haar handen trilden. “Nee… dit is niet onze baby. Dit is… een vergissing, ik weet niet hoe het kon gebeuren, maar… dit is niet onze embryo. Het moet een verwisseling zijn in het laboratorium!”
Mijn maag kromp zich om. Ik kon nauwelijks geloven wat ze zei. Hoe kon dit gebeuren? Hoe kon een verwisseling plaatsvinden met zo’n belangrijke en zorgvuldig gecontroleerde procedure?
Jason stapte dichterbij, zijn blik nog steeds onzeker en verward. “We moeten dit oplossen… we moeten uitzoeken wat er is gebeurd,” zei hij, zijn stem gebroken door paniek.
Ik legde de baby voorzichtig in de wieg naast me. Zijn kleine handen bewogen, hij huilde zachtjes, onwetend van de wereld waarin hij net was geboren. “Wacht even,” zei ik, mijn stem trilde. “Het maakt niet uit wie het embryo is… dit kind heeft recht op liefde, op veiligheid. We moeten kalm blijven.”
Rachel sloot haar ogen en wreef over haar gezicht. “Ik weet het niet… ik had dit kind zo gewild, en nu… ik voel niets. Het voelt niet als ons.”
Ik voelde een mengeling van boosheid en verdriet. Hoe kon ze dit zeggen? Dit kindje had niets verkeerd gedaan. Het huilde niet omdat het een fout was, het huilde omdat het honger had, behoefte aan warmte. Ik wist dat ik moest ingrijpen.
“Luister,” zei ik streng, maar zacht, “dit kind is net geboren. Hij is gezond, hij heeft ons nodig nu. Wij moeten eerst handelen als volwassenen. Laten we de artsen erbij halen, laten we dit onderzoeken. Maar het is geen spel of experiment. Dit is een menselijk leven.”