Adrian lag in zijn grote hemelbed, de dekens strak om hem heen, en deed alsof hij sliep. Zijn hart bonsde van spanning, een vreemde combinatie van nieuwsgierigheid en wantrouwen. Het was een test, een klein spel dat hij bedacht had om te zien wie Ana echt was. Hij wilde zeker weten dat haar zachte glimlach en nederige houding geen masker waren voor iets dat hem zou kunnen verraden.
De stilte van het grote huis was bijna tastbaar. Alleen het zachte tikken van de klok op de schoorsteen vulde de ruimte. Toen hoorde hij het—het zachte geritsel van Ana die door de gang liep. Haar stappen waren licht, bijna gedempt, maar voor Adrian klonken ze als muziek.
Hij opende zijn ogen langzaam, zorgend dat het leek alsof hij nog steeds sliep. Daar stond ze, de jonge vrouw die zijn wereld zo onverwacht had veranderd. Ze hield een vaas met verse bloemen vast, geplukt uit de tuin die hij meestal negeerde. Ze glimlachte onzeker, alsof ze voelde dat ze werd bekeken.
Ana zette de bloemen voorzichtig op de tafel naast de open haard. Ze draaide zich om en begon zacht te zingen, een lied dat zo puur en eenvoudig was dat het zijn hele hart deed smelten. Adrian kon zijn adem nauwelijks inhouden. Elk woord, elke toon leek rechtstreeks tot hem te spreken.
Hij dacht aan zijn leven—een leven van luxe, maar zonder warmte. Tot nu toe had hij niemand vertrouwd, niemand die hem echt kende. En toch voelde hij iets bij Ana dat hij in jaren niet had gevoeld: een gevoel van veiligheid, een gevoel van thuiskomen.