Hij stond op het grindpad voor het huis, op blote voeten, zijn adem zichtbaar in de koele nachtlucht.
“Wat bedoel je, je hebt mijn moeder gezien?” vroeg ik, terwijl ik mijn vest strakker om me heen trok.
Zijn gezicht was lijkbleek. “Ze… ze stond bij het raam van jullie slaapkamer. Ze keek naar buiten. Maar toen ik naar boven keek, zag ik óók licht in de keuken. Ik dacht dat ze beneden was.”
Ik knipperde een paar keer. “Dat slaat nergens op. Misschien was het een weerspiegeling?”
Hij schudde zijn hoofd. “Nee. Ze keek me recht aan.”
Op dat moment ging de voordeur open en verscheen mijn vader in zijn badjas. “Wat is hier aan de hand?” vroeg hij bezorgd.
Achter hem kwam mijn moeder de hal in gelopen, duidelijk net wakker.
Ik draaide me langzaam naar mijn verloofde. “Kijk,” zei ik zacht. “Ze is hier.”
Hij staarde van mijn moeder naar het donkere raam boven. Zijn ademhaling werd rustiger, maar zijn verwarring bleef.
“Misschien was ik half in slaap,” mompelde hij uiteindelijk. “Het was donker. Mijn hoofd speelde vast een spelletje.”
Mijn moeder glimlachte vriendelijk. “Een nieuw huis, andere geluiden… dat kan veel doen met je verbeelding.”
We gingen weer naar binnen. Mijn vader schonk thee in, alsof warme drank elk mysterie kon oplossen. Na een tijdje kalmeerde mijn verloofde genoeg om weer naar boven te gaan.
Maar die nacht sliep ik nauwelijks.