“En wat kies je?” vroeg ze.
“Jou,” antwoordde hij zonder aarzeling.
Alia glimlachte voor het eerst.
Niet breed. Niet dramatisch.
Maar echt.
“Dat is vriendelijk,” zei ze. “Maar ik kies mezelf.”
Er viel opnieuw stilte — maar dit keer geen schok. Eerder begrip.
Sergei keek haar aan, alsof hij haar opnieuw zag. Niet als slachtoffer. Niet als herinnering.
Maar als vrouw.
“Je spreekt weer,” zei hij zacht.
Ze knikte.
“Ik heb mijn stem niet verloren,” zei ze. “Ik had alleen niemand om tegen te spreken.”
Ze draaide zich om en liep naar haar schoonmaakkar.
Haar collega’s weken automatisch opzij.
“Wacht,” zei Sergei. “Alsjeblieft. Laat me tenminste iets goedmaken. Je verdient meer dan dit werk.”
Ze keek over haar schouder.
“Dit werk heeft me gered,” zei ze. “Hier verwachtte niemand dat ik sterk moest zijn. Of inspirerend. Of moedig. Ik mocht gewoon bestaan.”
Hij knikte langzaam.
“Ik wil je helpen,” zei hij.
Ze dacht even na.
“Dan begin je hier,” zei ze rustig, terwijl ze naar de accountmanager keek. “Respect begint niet bij titels. Het begint bij hoe je mensen behandelt.”
De boodschap was duidelijk.
Sergei draaide zich om naar het personeel.
“Vanaf vandaag,” zei hij kalm maar vastberaden, “wordt iedereen in dit filiaal met waardigheid behandeld. Ongeacht functie.”
De accountmanager slikte zichtbaar.
Alia pakte haar doek weer op en poetste de laatste handgreep.
Maar iets was veranderd.
Niet alleen voor haar.
In de weken die volgden, verspreidde het verhaal zich.
Niet als roddel.
Maar als les.
Collega’s begonnen haar bij naam te noemen.
Echte naam.
Alia.
Op een middag bleef een jonge medewerkster bij haar staan.
“U was lerares?” vroeg ze voorzichtig.
Alia knikte.
“Zou u… misschien eens willen kijken naar mijn tekeningen? Ik schilder graag, maar ik weet niet of ik er goed in ben.”
Alia nam het schetsboek aan.