De waarnemend rechter Harrison leunde achterover in zijn stoel, duidelijk geïmponeerd door de zelfverzekerdheid van Martinez. Hij had geen idee dat de vrouw tegenover hem dezelfde rechter was die hij dagelijks bewonderde op de rechtbankzittingen. Kesha Williams ademde diep door, haar handen geboeid, haar gezicht gespannen maar haar geest scherp als altijd.
“Ik begrijp,” zei Harrison langzaam, alsof hij elke zin zorgvuldig afwoog, “dat u handelde uit bezorgdheid voor de veiligheid van de rechtbank.” Hij keek over zijn bril naar Kesha, die haar mond stevig op elkaar had geklemd en hem alleen met haar ogen aanstaarde. Er zat geen angst in die blik. Alleen een stille vastberadenheid.
Martinez glimlachte, overtuigd dat hij de controle had. “Precies, uw eer. We moeten voorbereid zijn op alles. Vooral op individuen die regels overtreden en weerstand bieden. Ik heb haar duidelijk gewaarschuwd, maar ze bleef koppig. Daarom heb ik fysieke maatregelen moeten nemen.”
Een paar journalisten in de publieke tribune fluisterden onderling. Ze voelden dat er iets niet klopte, maar konden hun vinger er niet op leggen. Kesha’s juristenkleren waren netjes, haar tas bevatte alleen werkdocumenten en een laptop. Alles in haar optreden was correct en professioneel geweest. Toch zat ze hier, beschuldigd door een man die zijn autoriteit misbruikte.
Toen Harrison zijn papieren bij elkaar schoof en zijn bril afzette, nam Kesha een korte pauze. Haar gedachten raasden. Ze moest kalm blijven, elk woord zorgvuldig wegen. Als ze zichzelf te veel verdedigde in paniek, zou Martinez dat gebruiken als bewijs tegen haar.
“Agent Martinez,” begon ze, haar stem gecontroleerd en helder, “u beweert dat ik me ongepast heb gedragen en documenten bij me had die gestolen leken te zijn. Is er bewijs van deze diefstal? Een ooggetuige, een video, een handtekening van een slachtoffer?”