Tot op een dag waarop het geluid van motoren onze ochtendstilte verbrak.
Het was vroeg in de lente. De zon hing laag boven de velden en ik was bezig het kippenhok schoon te maken terwijl onze zoon, Thomas, achter de eenden aan rende en onze dochter, Lila, bloemen plukte bij het hek. Claire stond in de deuropening met een mand vol wasgoed, haar haar losjes vastgebonden zoals altijd.
Toen hoorde ik het.
Eerst één auto. Daarna nog één. En toen een derde.
Drie glanzende, zwarte luxeauto’s reden langzaam onze stoffige dorpsweg in. Het grind knarste onder hun banden. In ons dorp kwam zelden een nieuwe tractor voorbij, laat staan zulke wagens.
De kinderen stopten met spelen. De buren verschenen achter hun gordijnen. De bakker, die net zijn winkel wilde openen, bleef stokstijf staan met een brood in zijn handen.
De auto’s stopten precies voor ons huis.
Mijn eerste gedachte was dat er een vergissing moest zijn. Misschien waren ze verkeerd gereden. Misschien zochten ze iemand anders.
De middelste deur ging open.
Een man in een donker pak stapte uit. Achter hem volgden twee vrouwen, eveneens keurig gekleed. Hun houding was zelfverzekerd, hun blik onderzoekend. Ze keken niet rond zoals toeristen dat doen. Ze keken doelgericht — naar ons huis.
Naar Claire.
Ik voelde hoe zij naast mij verstijfde. De mand viel bijna uit haar handen.
De man liep naar voren en bleef op enkele meters afstand staan. Hij nam zijn zonnebril af.
“Mevrouw Dawson?” vroeg hij kalm.
Ik keek naar Claire. Haar gezicht was lijkbleek geworden.
Niemand in het dorp had ooit haar achternaam gebruikt.
Ze had die naam alleen tegen mij gezegd, op die tweede dag op de markt.