“Je bent echt gekomen,” zei ze zacht.
Ik knielde neer. Mijn handen zweefden een moment in de lucht voordat ik haar wangen voorzichtig aanraakte. Warm. Echt. Geen droom. Geen herinnering.
Maar ook geen elfjarig meisje meer.
Ze leek ongeveer dertien.
“Hoe… hoe heet je?” vroeg ik zacht.
“Grace,” zei ze meteen. “Grace Hawthorne.”
Achter mij kuchte directeur Van Dijk zacht. “Ze kwam vanochtend naar school met een nieuwe leerlingengroep. Ze stond niet in het systeem, maar ze wist uw naam, uw adres… en zelfs oude gegevens die alleen in ons archief staan.”
Ik draaide me langzaam om. “Wie heeft haar hier gebracht?”
“Ze zegt dat haar vader haar heeft afgezet,” antwoordde hij voorzichtig.
Mijn maag draaide zich om.
Mijn vader.
Niet papa.
Vader.
Grace had Neil altijd papa genoemd.
Ik keek weer naar het meisje. “Waar is je vader nu?”
Ze haalde haar schouders op. “Hij zei dat ik hier moest wachten tot jij kwam.”
Mijn gedachten draaiden op volle snelheid.
Neil.
Zijn paniek.
Zijn poging om me tegen te houden.
De manier waarop hij de telefoon ophing.
Er klopte iets niet.
Ik haalde diep adem. “Grace… weet je nog wie ik ben?”
Ze glimlachte zwak. “Je bent mama. Je maakt altijd pannenkoeken op zaterdag.”
Mijn hart sloeg een slag over.
Dat was waar. Maar het was ook iets dat iedereen had kunnen weten.
“En wat is mijn favoriete bloem?” vroeg ik zacht.
Ze dacht even na.
“De gele tulpen. Papa bracht ze altijd in de lente.”
Tranen vulden mijn ogen.
Dat was een herinnering die we nooit online hadden gezet.
Directeur Van Dijk keek ongemakkelijk tussen ons in. “Misschien is het verstandig dat u even rustig praat. Ik kan de kamer verlaten als u wilt.”
Ik knikte zwak.