Daniel keek me aan, zijn vingers licht trillend rond de sigaret. Hij doofde hem langzaam in een kristallen asbak, alsof hij tijd probeerde te rekken.
“Sophia… ik moest iemand zien,” zei hij uiteindelijk.
Mijn maag trok samen. “Wie?”
Hij slikte. “Mijn vader.”
Ik knipperde. “Je vader? Maar… hij is toch overleden toen je zestien was?”
Hij knikte langzaam. “Dat dacht ik ook.”
De woorden hingen zwaar tussen ons in.
“Wat bedoel je, Daniel?”
Hij haalde diep adem en stond op. Het eerste ochtendlicht van Manhattan viel door de gordijnen en tekende harde lijnen over zijn gezicht. Hij zag er plotseling ouder uit. Vermoeider.
“Drie weken geleden werd ik gebeld door een privénummer. Een man zei dat hij informatie had over mijn vader. Ik dacht dat het een grap was. Of oplichting. Maar hij wist dingen… dingen die niemand buiten onze familie kon weten.”
Ik ging rechtop zitten in het enorme hotelbed dat nog steeds naar rozen rook.
“Waarom heb je me niets verteld?”