Ze liep naar haar kantoor en kwam terug met een kleine envelop. Ze stopte er het overschot in en schreef zijn naam erop.
“Voor school,” zei ze. “Of voor iets dat jij belangrijk vindt.”
Hij staarde naar de envelop alsof het iets kostbaars was. “Maar waarom?”
De bewaker, die eerder zo streng was geweest, schraapte zijn keel. “Omdat je hebt laten zien wat verantwoordelijkheid is,” zei hij zacht. “Niet veel volwassenen doen wat jij hebt gedaan.”
Popoy keek om zich heen. Voor het eerst leek hij te beseffen dat iedereen naar hem keek – niet met afkeer, maar met respect.
Een oudere klant stapte naar voren. “Mag ik iets vragen?” zei ze vriendelijk. “Hoe heet je?”
“Popoy,” antwoordde hij verlegen.
“Popoy,” herhaalde ze glimlachend. “Je moeder heeft geluk met zo’n zoon.”
Hij slikte en keek naar het doosje in zijn handen. “Ik wilde niet dat ze zich schuldig voelde. Ze dacht dat ik het vergeten was.”
Mevrouw Carla voelde haar hart samenknijpen. “Moeders vergeten nooit zulke dingen,” zei ze zacht. “Maar ze dragen wel vaak zorgen in stilte.”
Ze draaide zich naar haar personeel. “Vanaf vandaag,” zei ze duidelijk, “gaan we onze regels rond kleine panden herzien. Geen buitensporige rente meer voor medische noodgevallen.”
De kassière knikte instemmend. De bewaker rechtte zijn schouders.
“En,” vervolgde mevrouw Carla, terwijl ze naar de klanten keek, “we openen volgende maand een klein fonds voor gezinnen die tijdelijk hulp nodig hebben.”
Een man in pak stak zijn hand op. “Ik wil bijdragen.”
“Wij ook,” zei de vrouw met de parels.
Binnen enkele minuten werd er zacht gesproken over donaties, steun en betrokkenheid. Wat een gewone middag had moeten zijn, veranderde in iets onverwachts.
Popoy stond daar middenin, nog steeds niet helemaal begrijpend wat hij in beweging had gezet.
Mevrouw Carla wendde zich weer tot hem. “Mag ik je nog iets vragen?”
Hij knikte.
“Wat wil jij later worden?”