Een trident.
De SEAL-drietand.
Hayes verstijfde.
Niet zichtbaar voor iedereen. Maar voor wie hem kende: absoluut.
Hij stapte naar voren. Langzaam.
“Meneer,” zei Hayes, zijn toon volledig veranderd, “mag ik vragen… wanneer u heeft gediend?”
Samuel keek hem even aan.
“1968,” antwoordde hij rustig. “Tot ’72.”
Er ging een onzichtbare schok door de lucht.
Hayes keek opnieuw naar de tatoeage.
Oude stijl. Voor de officiële standaardisering.
Dit was geen souvenir.
Dit was verdiend.
“Team?” vroeg Hayes zacht.
Samuel glimlachte bijna onmerkbaar.
“Er waren toen geen teams met nummers, commandant. Alleen mannen die deden wat nodig was.”
Miller voelde kippenvel langs zijn armen lopen.
Davies keek verward tussen hen in. “Meneer, wat betekent dit?”
Hayes draaide zich langzaam naar hem om.
“Dat, luitenant,” zei hij beheerst, “deze man deel uitmaakte van de generatie die deze eenheid heeft gevormd.”
Stilte.
Absolute stilte.
De arrogantie in Davies’ houding begon te smelten.
Samuel zei niets. Hij had dit moment niet gezocht.
Hij was hier alleen voor Ethan.
Hayes keek hem opnieuw aan.
“Mag ik uw naam, meneer?”
“Samuel Carter.”
De naam leek bij Hayes een belletje te doen rinkelen.
Zijn ogen vernauwden licht.
“Operatie Silver Tide?” vroeg Hayes voorzichtig.
Samuel keek op.
Voor het eerst was er iets van verrassing in zijn blik.
“Dat was geen publieke operatie.”
Hayes knikte langzaam.
“Mijn instructeur noemde die missie tijdens mijn training. Een team dat onder extreme omstandigheden een evacuatie uitvoerde zonder luchtsteun. Hij zei dat de leider weigerde zijn gewonde man achter te laten.”
Hij keek Samuel recht aan.
“Die leider heette Carter.”
Davies’ gezicht werd bleek.
Miller slikte.
Samuel haalde licht zijn schouders op.