Mijn handen begonnen te trillen nog vóór ik echt keek.
Binnenin lag een boterham — dik besmeerd met pindakaas.
Daarnaast een zakje gemengde noten.
En een energiereep met een groot label: Bevat pinda’s.
De wereld leek even te kantelen.
“Dat… dat kan niet,” fluisterde ik. “Ze weet dat hij allergisch is. Iedereen weet dat.”
Dr. Kline keek me strak aan. “We hebben hem op tijd opgemerkt. Een klasgenoot zei dat Miles klaagde over jeuk. De leraar heeft direct ingegrepen.”
Ik slikte. Mijn gedachten tolden.
Was het een vergissing?
Maar hoe kon je zo’n vergissing maken als het om een kind ging dat al sinds zijn derde een medische armband droeg?
“Waar is Elaine?” vroeg ik.
“Ik weet het niet,” zei Dr. Kline eerlijk. “Maar de politie wil met u spreken.”
Twijfel
Een agent begeleidde me naar een rustige ruimte naast het kantoor.
“Mevrouw Carroway,” begon hij vriendelijk, “we onderzoeken of dit een ongeluk was of nalatigheid. Kunt u bevestigen dat uw stiefmoeder op de hoogte was van de allergie?”
“Ja,” zei ik zonder aarzeling. “Ze is al twee jaar in ons leven. Ze was erbij toen we de diagnose kregen.”
Hij noteerde iets.
“Zijn er recente conflicten geweest?”
Die vraag bleef hangen.
Conflicten.
Ik dacht aan de spanning van de afgelopen maanden. Aan Elaine’s subtiele opmerkingen over hoe “overbezorgd” ik was. Aan hoe ze vond dat “kinderen tegenwoordig overal allergisch voor lijken”.
Aan haar glimlach toen ze vorige week zei: “Misschien groeit hij er wel overheen.”
Een koude rilling trok door me heen.
“Ze geloofde nooit echt dat het ernstig was,” zei ik langzaam.
De agent knikte bedachtzaam.
“We gaan dit zorgvuldig uitzoeken.”
Confrontatie
Elaine nam niet op toen ik belde.
Niet één keer.
Niet drie keer.
Pas tegen de avond kreeg ik een bericht:
Ik hoorde dat er iets gebeurd is. Ik wist niet dat hij zo gevoelig was. Overdrijf je niet een beetje?
Mijn handen trilden opnieuw.
Overdrijf je niet?
Ik keek naar Miles, die thuis op de bank lag met een dekentje en een beker thee. Hij was moe, maar veilig.
Veilig omdat iemand op school had opgelet.
Niet omdat zijn lunch zorgvuldig was voorbereid.
Ik belde haar terug.
Deze keer nam ze op.
“Elaine,” zei ik zonder begroeting. “Waarom zat er pindakaas in zijn lunch?”
Een korte stilte.
“Ach, Megan. Het was maar een klein beetje. Mensen overdrijven die allergieën altijd. Hij moet leren dat de wereld niet om hem draait.”
Mijn adem stokte.
“Je had hem kunnen schaden.”
“Doe niet zo dramatisch,” zei ze scherp. “Ik wilde alleen bewijzen dat je hem te kwetsbaar opvoedt.”
Bewijzen.
Alsof mijn zoon een experiment was.
Iets in mij veranderde op dat moment.
Niet in paniek.
Niet in woede.
Maar in helderheid.
“Je komt niet meer in de buurt van mijn kind,” zei ik kalm.
Ze lachte nerveus. “Je kunt me niet verbieden—”
“Ik kan wel degelijk grenzen stellen,” onderbrak ik. “En die stel ik nu.”
Ik hing op.