“Waarom… waarom draag je die handschoenen?” vroeg ik zacht, bijna fluisterend.
Nolan sloeg zijn ogen neer en wiegde heen en weer op de voetzolen. “Het is… het is mijn beschermingsritueel,” zei hij uiteindelijk, bijna te snel voor mij om het goed te begrijpen. “Als ik ze uitdoe, gebeurt er… iets slechts. Mijn handen… ze doen pijn. Heel erg pijn.”
“Pijn?” probeerde ik. “Wat voor pijn?”
Hij schudde heftig zijn hoofd. “Ik kan het je niet laten zien. Het is… het is eng.”
Er was iets in zijn stem dat me letterlijk naar binnen trok. De manier waarop hij sprak, de angst die hij probeerde te verbergen, het kleine stukje kind dat nog steeds wanhopig beschermd moest worden. Ik realiseerde me dat dit niet zomaar een tienerangst was of een dwangneurose. Dit was iets diepers, iets dat hij misschien zijn hele leven al had meegemaakt.
“Kom hier,” zei ik zacht, en ik stak voorzichtig mijn hand uit. “Het is goed. Ik zal niets doen, beloofd.”
Hij schudde nogmaals zijn hoofd, maar iets in mijn toon deed hem aarzelend zijn handschoenen een fractie losmaken. Daar waren ze weer: de rode plekken, de blaren, de droge schilfers die mijn hart lieten samentrekken.
“Wat is er gebeurd?” vroeg ik zacht, mijn stem breekbaar van emotie.
Hij slikte, zijn lippen trilden. “Het was… mijn vader,” fluisterde hij. “Hij… hij deed dit als ik iets verkeerd deed. Hij zei dat mijn handen de wereld konden ‘voelen’ en dat ik ze moest beschermen.”
De realiteit sloeg in als een hamer. Mijn neefje, vijftien jaar oud, had jaren lang pijn moeten verdragen, verborgen achter zwarte handschoenen, omdat hij bang was voor de wreedheid van degene die hem had moeten beschermen.