Ze bleef een paar seconden naar het briefje staren, alsof de woorden vanzelf zouden verdwijnen als ze maar lang genoeg keek. Maar dat deden ze niet.
Langzaam haalde ze diep adem, rechtte haar rug — ondanks de pijn — en pakte haar telefoon.
Niet om haar zoon te bellen.
Maar om een ander nummer te kiezen.
Een nummer dat ze al jaren niet meer had gebruikt.
“Met Alvarez & Partners,” klonk een rustige stem aan de andere kant.
“Met Elena Martín,” zei ze beheerst. “Ik wil graag spreken met meneer Alvarez. Zeg hem dat het over het dossier van mijn man gaat.”
Er viel een korte stilte.
“Eén moment alstublieft.”
Binnen enkele seconden werd de lijn doorverbonden.
“Elena?” klonk een oudere mannenstem, verrast maar warm. “Het is lang geleden.”
“Te lang,” antwoordde ze. “Ik heb hulp nodig. Het is tijd.”
Hij stelde geen vragen.
“Kom morgenochtend naar kantoor,” zei hij. “We regelen alles.”
Die nacht bracht ze door in een klein hotel, niet ver van haar oude huis. De kamer was eenvoudig, maar schoon. Ze ging langzaam zitten op het bed, haar lichaam protesteerde bij elke beweging.
Maar de fysieke pijn was niets vergeleken met wat ze vanbinnen voelde.
Toch huilde ze nog steeds niet.
In plaats daarvan opende ze haar tas en haalde een oude envelop tevoorschijn.
Geel geworden aan de randen.
De naam van haar man stond erop geschreven in zijn herkenbare handschrift.
Ze had hem al die jaren bewaard.
Voor het juiste moment.
En dat moment was nu.