“Uw broer moet bewijzen dat uw moeder onder druk stond toen ze het schreef.”
“Maar dat is niet waar,” zei ik meteen.
“Precies,” antwoordde hij. “En daarom maak ik me daar niet veel zorgen over.”
Hij bladerde verder door de documenten.
“Het interessante deel,” zei hij, “is iets anders.”
Ik fronste.
“De overschrijving.”
Hij draaide zijn scherm naar mij toe en wees naar het bedrag.
“U heeft vrijwillig de helft van het geld naar uw broer gestuurd.”
“Ja,” zei ik. “Omdat het eerlijk voelde.”
De advocaat leunde achterover.
“En hebt u een contract opgesteld?”
“Een contract?”
Hij knikte.
“Iets waarin staat dat het een schenking was.”
Ik voelde een steek in mijn maag.
“Nee,” zei ik zacht.
Hij zuchtte, maar niet boos.
“Dat maakt het ingewikkelder,” zei hij.
“Betekent dat dat hij kan winnen?”
De advocaat dacht even na.
“Nee,” zei hij uiteindelijk. “Maar het betekent dat we moeten laten zien wat er werkelijk is gebeurd.”
Ik keek naar mijn handen.
“Waarom zou hij dit doen?” vroeg ik.
De advocaat haalde zijn schouders op.
“Geld verandert mensen soms.”
De weken daarna voelden vreemd.
Ik ging nog steeds naar mijn werk in de fabriek. Ik stond nog steeds om vijf uur ’s ochtends op. Ik maakte nog steeds koffie voor Darek en boterhammen voor de kinderen.
Maar ergens in mijn hoofd draaide alles om die rechtszaak.
Op een avond zat ik aan de keukentafel toen Darek tegenover me ging zitten.
“Jolka,” zei hij zacht.
Ik keek op.
“Je hebt niets fout gedaan.”
Ik glimlachte zwak.
“Dat weet ik.”
Hij schudde zijn hoofd.
“Je wilde gewoon eerlijk zijn.”
Ik dacht aan mijn moeder.
Aan hoe ze altijd zei dat familie het belangrijkste was.
“Misschien was ik naïef,” zei ik.
Darek pakte mijn hand.
“Misschien,” zei hij. “Maar dat maakt je geen slecht mens.”
De dag van de zitting kwam sneller dan ik had verwacht.
De rechtbank was een grijs gebouw met lange gangen en harde banken.
Ik zat naast mijn advocaat en keek naar de deur van de zaal.
Mijn hart klopte hard.
Toen ging de deur open.
En Mirek kwam binnen.
Hij zag er ouder uit dan ik me herinnerde. Zijn haar was dunner geworden en hij droeg een donker pak.
Achter hem liep Agnieszka.
Onze blikken kruisten elkaar even.
Hij keek meteen weg.
Het deed meer pijn dan ik had verwacht.
De rechter kwam binnen en iedereen ging staan.
De procedure begon rustig.
De advocaat van Mirek sprak eerst.
Hij herhaalde de woorden uit de brief.
Manipulatie.
Invloed.
Onrechtvaardigheid.
Elke zin voelde als een kleine steek.
Toen was het de beurt aan mijn advocaat.
Hij stond op en sprak kalm.
Hij vertelde over de vijf jaar waarin ik voor onze moeder had gezorgd.
Hij noemde de doktersafspraken.
De boodschappen.
De bezoeken na mijn werk.
Daarna hield hij even stil.
“En toch,” zei hij, “heeft mijn cliënt de helft van de opbrengst vrijwillig aan haar broer gegeven.”
De rechter keek naar mij.