Rocco knielde naast haar neer en voelde haar pols. Het was zwak, maar nog steeds aanwezig. Hij keek naar Emma, die zich angstig aan de deurpost vasthield. “Rustig maar,” zei hij. “We gaan haar verzorgen. Alles komt goed.”
Hij tilde voorzichtig de vrouw op, terwijl Emma de fiets en een oude deken vasthield. Buiten regende het nog steeds, maar hij legde haar voorzichtig op de achterbank van zijn SUV. Hij gooide een deken over haar heen en stapte zelf achter het stuur.
De rit naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis voelde eindeloos. Het water van de regen mengde zich met de angst in Rocco’s borst. Hij voelde een vreemde combinatie van woede en verantwoordelijkheid. Deze mensen waren onbekenden voor hem geweest, maar nu waren ze afhankelijk van zijn kracht.
Eenmaal bij het ziekenhuis nam hij geen risico. Hij droeg de moeder naar binnen, vertelde kort wat er was gebeurd, en liet de artsen het overnemen. Emma bleef stil aan zijn zijde staan, haar ogen vol zorgen, maar ook vol een glimp van vertrouwen.
Toen hij terug naar de SUV liep, voelde Rocco een vreemd soort rust. De situatie was nog lang niet opgelost – de mannen die hun huis hadden geplunderd, zouden nog steeds ergens rondlopen. Maar hij wist één ding: hij zou niet toestaan dat dit gezin nog langer leed.
De volgende dag sprak Rocco met zijn mensen en stelde een plan op. Niet om wraak te nemen, niet om geweld te gebruiken, maar om ervoor te zorgen dat het gezin hun leven weer op kon bouwen. Hij zorgde ervoor dat hun huis werd beveiligd, dat er eten en kleren kwamen, en dat