“Wil je dat we even naar buiten gaan?” stelde hij voor. Emily knikte nauwelijks merkbaar. Daniel tilde haar op en liep naar de tuin, waar de zomerzon fel scheen en de lucht zwaar was van warmte.
Ze gingen zitten op het bankje onder de boom. Daniel ademde diep in. Hij moest een manier vinden om haar te laten praten zonder haar onder druk te zetten.
Na enkele minuten fluisterde Emily: “Mama… zei dat ik niks mocht zeggen…”
Daniel voelde een koude rilling over zijn rug lopen. Zijn verstand probeerde de situatie te begrijpen. Vanessa had altijd een sterke persoonlijkheid gehad, maar dit… dit was iets anders. Iets dat hem angst aanjoeg.
“Het is oké,” zei hij zacht. “Niemand gaat je iets aandoen hier. Vertel papa gewoon wat er is gebeurd.”
Emily slikte. Haar lip trilde. Uiteindelijk begon ze te praten, langzaam en aarzelend.
“Op de reis… mama zei… ze zei dat ik niet mocht praten met andere mensen. Ze zei dat ik altijd de trui moest dragen, zelfs als het warm was. En… en ze… ze gaf me iets te drinken… iets dat ik niet mocht proeven…”
Daniel voelde zijn hart in zijn borst bonzen. Hij was bang, maar hij moest kalm blijven. Dit was geen tijd voor hysterie; dit was een tijd om te luisteren, te begrijpen en te handelen.
“Wat bedoel je met iets dat je niet mocht proeven?” vroeg hij voorzichtig.
Emily keek hem aan met ogen vol tranen. “Het smaakte vies… en ik werd er zo slaperig van… Ik wilde het niet, papa…”
Dat was genoeg. Daniel wist dat dit serieus was. Hij tilde Emily weer op en belde onmiddellijk 112. Terwijl hij dat deed, hield hij haar stevig vast en verzekerde haar dat alles goed zou komen.