Op dat moment begon de deur van de lobby te trillen. Twee agenten van de financiële recherche liepen de lobby binnen, gevolgd door een derde die een kleine tas vol dossiers bij zich droeg. Ze keken even naar mij, knikten en richtten zich toen op André.
“U bent verdachte van fraude, verduistering en medeplichtigheid aan een financieel misdrijf,” zei een van de agenten kalm, terwijl ze zijn handen vastpakte. “U wordt verzocht mee te komen.”
André probeerde zich los te rukken, maar het was tevergeefs. Zijn ogen flitsten naar Grégoire, die nerveus bij de bar stond, en toen terug naar mij. Zijn mond viel open, maar er kwam geen geluid uit.
Ik voelde een mix van triomf en voldoening, maar ook een vreemde kalmte. Het was geen wraakgevoel dat me dreef. Het was gerechtigheid. Het was het herstel van alles waar mijn man en ik ooit voor hadden gewerkt.
De agenten leidden André en Grégoire weg, terwijl de andere medewerkers zich ongemakkelijk achter de balie verscholen. Sommigen durfden me niet aan te kijken, beschaamd dat ze deel hadden uitgemaakt van het verraad.